Politieverordening inzake brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen

Deze verordening bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken en gelijkaardige inrichtingen moeten voldoem om: a. het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen; b. de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen; c. preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken. Deze regelementering is van toepassing op alle horecazaken en gelijkaardige inrichtingen waar gelegenheid is tot consumatie van eten of drinken door bezoekers. Onder horeca en gelijkaardige inrichtingen worden verstaan: zalen, parochiezalen, dansgelegenheden, café's, restaurants, verbruikszalen, drankgelegenheden, tavernen, frituren, kantines, feestzalen, enz.

Provincie               UITTREKSEL UIT HET REGISTER VAN DE BERAADSLAGINGEN
Limburg                 VAN DE GEMEENTERAAD VAN DE GEMEENTE LANAKEN

 

Gemeente            Zitting van de

Lanaken               24 april 2003

 

Tegenwoordig de dames en heren:
A Vangronsveld, burgemeester-voorzitter;
P van Berkel, S Palmans, Ph Vanmeeren, G martens, V Jans, L Christoffels, schepenen;
J Hendriks-Kuijpers, R Hermans, A Bervaes, R Baldewijns, G Willen
MJ Smeets-Packlé, TH Manders, P Nelissen, L Christoffels
G Beckers, M Curvers, F Stouten, M Geurts, R Nivelle F Puts, H Neven
P Tollenaers, G Niesten, A Jeurissen, raadsleden;
en S Bervaes, secretaris wnd.

 

Voorwerp :      Politieverordening inzake de brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen

 

De gemeenteraad,

Gelet op de nieuwe gemeentewet, inzonderheid op de artikelen 119 en 135 §2;

 

Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, inzonderheid artikel 4 van deze wet, waarbij aan de gemeenteraad de bevoegdheid werd verleend verordeningen uit te vaardigen inzake de preventie van branden en ontploffingen;

 

Gelet op het KB van 7 juli 1994, gewijzigd bij KB van 19 december 1997, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen;

Gelet op het KB van 11 april 1999 tot bepaling van de modaliteiten inzake het creëren en de werking van de hulpverleningszones;

 

Gelet op het MB van 14 april 1999 tot vaststelling van de minimale inhoud van de hulpverleningsovereenkomsten die opgesteld worden binnen de hulpverleningszones inzonder artikel 1, 3°, met het oog tot het bekomen van één eenvormige werkwijze inzake brandvoorkoming;

 

Gelet op de hulpverleningsovereenkomst zone Limburg-oost, goedgekeurd door de gemeenteraad van 27 september 2001, inzonder artikel 17;

 

Gelet op de politieverordening van 26 januari 1988 die tot op heden de brandveiligheid van dansgelegenheden, café’s, verbruiksalons, feestzalen en gelijkaardige inrichtingen op het grondgebied van Lanaken regelt.

 

Overwegende dat een optimalisering van de veiligheidsmaatregelen en een uniforme aanpak inzake de preventie van brand en ontploffing in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen zich opdringen;

 

Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen van 110403;

 

Herziet zijn besluit van 26 januari 1988:

 

Hoofdstuk 1.
algemeen

Artikel 1.
doel
Deze verordening bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken en gelijkaardige inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2, “toepassingsgebied”, moeten voldoen om:

a.                  het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;

b.                  de veiligheid van de aanwezigen the waarborgen;

c.                  preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.

Artikel 2.
toepassingsgebied
Deze reglementering is van toepassing op alle horecazaken en gelijkaardige inrichtingen waar gelegenheid is tot consumatie van eten of drinken door bezoekers. Onder horeca en gelijkaardige inrichtingen worden verstaan: zalen, parochiezalen, dansgelegenheden, cafe’s, restaurants, verbruikzalen, drankgelegenheden, tavernen, frituren, kantines, feestzalen, enz…

Onverminderd de voorschriften van andere reglementeringen die van toepassing kunnen zijn, zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing op alle gebouwen, lokalen of plaatsen waar het publiek kosteloos, tegen betaling of op vertoon van een lidkaart toegang heeft.
Deze gebouwen, lokalen of plaatsen worden hierna aangeduid met de term “inrichting”.
Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op de inrichtingen van tijdelijke aard zoals kermisinrichtingen, tenten en dergelijke.

Artikel 3.
terminologie en netto-vloeroppervlakte

Artikel 3.1
Voor de terminologie wordt verwezen naar bijlage 1 van het KB van 07 juli 1994 gewijzigd bij KB van 19 december 1997 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

 

Artikel 3.2.
Onder netto-oppervlakte van de inrichting wordt verstaan de oppervlakte toegankelijk voor het publiek, verminderd met de oppervlakte van de tapkasten, podiums, vestiaires en sanitair.

Artikel 4.
bepaling van het aantal toegelaten personen
Het aantal toegelaten personen wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:

a.       de netto-vloeroppervlakte van de inrichting;

b.      het aantal uithangen;

c.       de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen.

 

Artikel 4.1.

op basis van de netto-vloeroppervlakte

Het aantal toegelaten personen bedraagt:

 

a.       voor inrichtingen voorzien van tafels en stoelen (of ander los meubilair):

1,5 persoon met m2 netto-vloeroppervlakte.
Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;

 

a.       voor inrichtingen zonder tafels en stoelen:
3 personen met m2 netto-vloeroppervlakte;

 

b.      voor inrichtingen waar de bezoekers uitsluitend gebruik maken van zitplaatsen, zoals verbruikssalons en restaurants:
aantal personen = aantal zitplaatsen;

 

c.       voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen minder dan 20m2 bedraagt:
1,5 persoon per netto-vloeroppervlakte.
Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;

 

d.      voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen meer dan 20m2 bedraagt:
3 personen per m2 voor het gedeelte zonder tafels en stoelen en 1,5 personen per m2 voor het gedeelte met tafels en stoelen.
Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond.

 

Artikel 4.2.
op basis van het aantal uitgangen
het aantal toegelaten personen is kleiner of gelijk aan de bezetting die, overeenkomstig artikel 8, 1 van dit reglement, overeenstemt met het aantal uitgangen.

 

Artikel 4.3.

Op basis van de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen

De uitgangswegen, uitgangen en deuren moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken.
De trappen moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan dat getal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang, en vermenigvuldigd met 2 indien ze ernaar opstijgen.
De nuttige breedte van een uitgang of evacuatieweg bedraagt tenminste 0,8m.
De vrije hoogte moet tenminste 2m bedragen.

 

Artikel 4.4.
Het kleinste getal uit voorgaande berekeningen wordt aangenomen als het maximum aantal toegelaten personen tot de inrichting.
Het maximaal aantal toegelaten personen worden expliciet vermeld in de exploitatievergunning.
Het maximum aantal toegelaten personen moet in elke inrichting worden aangeduid op een bordje dat, duidelijk leesbaar en goed zichtbaar, bij de ingang(en) wordt aangebracht.
De exploitant en eventuele organisatoren zullen maatregelen (oa beperking aantal toegangskaarten, telsysteem, enz…) nemen om overschrijding van dit aantal te voorkomen.
Het aantal toegelaten personen moet eveneens uitdrukkelijk vermeld worden in de verhuurcontracten.

 

Artikel 5.

procedure

Bij elke wijziging van exploitatie of exploitant, bij transformatie- of renovatiewerken, vernieuwing van de binneninrichting, bij wijziging van de netto-vloeroppervlakte, bij bestemmingswijziging en bij elke wijziging die de brandveiligheid kan beïnvloeden, dient voorafgaandelijk een brandveiligheidsverslag aangevraagd bij de burgemeester.

Deze aanvraag moet minstens 4 weken voor de openingsdatum schriftelijk bij de burgemeester ingediend worden.
Het openhouden, openen of heropenen van inrichtingen vermeld onder artikel 2 van deze reglementering, is onderworpen aan een exploitatievergunning, af te leveren door de burgemeester, na advies van de brandweer.
Deze toelating is steeds herzienbaar.

 

Hoofdstuk 2.

 

Inplanting en toegangswegen

 

Artikel 6.1.

De toegangswegen tot de inrichting worden bepaald in akkoord met de brandweer volgens de leidraad van de basisnormen.

 

 

Artikel 6.2.
Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen, zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de personen, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen.

 

Hoofdstuk 3.

 

Compartimentering en evacuatie

 

Artikel 7.

 

Algemeen
De inrichting vormt minstens één compartiment. In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kan door de brandweer het aantal compartimenten verhoogd worden. De inrichting dient gecompartimenteerd te zijn van woongedeelten met overnachtingsmogelijkheden, ongeacht deze in het gebruik zijn door de uitbater en/of door derden.

 

Artikel 8.
evacuatie en compartimenten

 

Artikel 8.1.
Elk compartiment heeft minimum:

 

a.       1 uitgang indien de maximale bezetting minder dan 100 personen bedraagt;

 

b.      2 uitgangen indien de maximale bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt;

 

c.       2 + n uitgangen, waarbij “n” het geheel getal is onmiddellijk groter dan de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt.

 

Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de maximale bezetting en/of de configuratie van de lokalen.

 

Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor compartimenten.

 

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichtingen gelegen is, gebruikt wordt als privé-lokalen voor de exploitant, mag een uitgang van de inrichting ook dienst doen als uitgang van dit privé-gedeelte.

 

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting gelegen is, gebruikt wordt als privé-lokalen voor derden, is voor dit gedeelte een afzonderlijke uitgang vereist.

 

Artikel 8.2.
De uitgangen

De uitgangen zijn zoveel mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.
De evacuatiewegen moeten zodanig verdeeld zijn dat ze onafhankelijk van elkaar uitkomen op de openbare weg of op een voldoende grote vrije ruimte, om zich veilig van het gebouw te kunnen verwijderen. De aanwezigen moeten het gebouw snel en veilig kunnen ontruimen.

 

Hoofdstuk 4.

 

Voorschriften voor sommige bouwelementen

 

 

Artikel 9.
Structurele elementen
De structurele elementen (kolommen, dragende wanden, balken, vloeren,…) van de inrichting dienen een weerstand tegen brand te bezitten overeenkomstig onderstaande tabel.
Indien de inrichting deel uitmaakt van een groter geheel dienen de structurele elementen van de onderliggende bouwlagen eveneens te voldoen aan de gestelde eisen.

 

 

 

 

*

 

                          Structuur gebouw

 

Aantal bouwlagen

 

*

 

Bovengrondse str

 

*

 

Dakstr

 

*

 

Onderqr str°°

 

 

 

*

 

 

 

*

 

 

 

*

 

 

 

1

 

*

 

Nvt

 

*

 

Nvt

 

*

 

1h

 

2/3

 

*

 

1/2h

 

*

 

1/2h°

 

*

 

1h

 

>3

 

*

 

1h

 

*

 

1/2h°

 

*

 

1h

 

° Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met een weerstand tegen brand 1/2h.
°° Met inbegrip van de vloer van het laagste evacuatieniveau.

De brandweer kan bijkomende eisen stellen aan de weerstand tegen brand van de structurele elementen.

 

Artikel 10.
plafonds en valse plafonds (bij vernieuwing)

 

Artikel 10.1.
In de evacuatiewegen en in de voor publiek toegankelijke lokalen hebben de valse plafonds en stabiliteit bij brand van 1/2h

Artikel 10.2.

De ruimte tussen het plafond en het vals plafond wordt onderbroken door de verlenging val alle verticale wanden die tenminste een weerstand tegen brand 1/2h bezitten.

Hoofdstuk 5.
Voorschriften inzake constructie van compartimenten en evacuatiewegen

 

Artikel 11.
Compartimenten

Artikel 11.1.
De wanden tussen compartimenten hebben tenminste de brandweerstand van de structurele elementen met een minimum van 1/2h.
De verbindingsdeuren zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben Rf 1/2h.

Artikel 11.2.
De inrichting moet van de woongedeelten met overnachting, gebruikt door de uitbater of door derden, gescheiden zijn door wanden, plafonds, vloeren met ten minste de brandweerstand van de structurele elementen, met een minimum van 1/2h.
De verbindingsdeuren zijn zelfsluitende of zelfsluitend bij brand en hebben Rf 1/2h.

 

Artikel 12.
Trappen

 

Artikel 12.1.
Trappenhuizen
De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten.

De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens de vereiste Rf van de structurele elementen.
Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over tenminste 1m zijdelings afgezet zijn met een element dat een vlamdichtheid heeft van 1/2h.

De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau.

Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende deur met Rf 1/2h die opendraait in de vluchtzin.

 

Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 13.

De nieuw te bouwen trappen gelegen in een trappenhuis bezitten evenals de overlopen een stabiliteit bij brand van 1/2h of zijn van dezelfde opvatting van constructie als een betonplaat met een weerstand tegen brand van 1/2h.
Bovenaan de trappenhuizen moeten rookluiken met een doorsnee van minimum 1m aangebracht worden, te bedienen van op het gelijkvloers

 

Artikel 12.2.
Trappen
De trappen van de inrichting hebben de volgende kenmerken:

 

a.       zij zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen. Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen;

 

b.      de aantrede van de treden is in elk punt tenminste 0,20m;

 

c.       de optrede van de treden mag niet meer dan 18cm bedragen;

 

d.      hun helling mag niet meer dan 75% bedragen (maximale hellingshoek = 37°);

 

e.       zij zijn van het “rechte” type; “wenteltrappen” zijn toegestaan zo ze verdreven treden hebben en zo hun treden, naast de vereisten van voorgaande punten, ten minste over 24 cm aantrede hebben op de looplijn. De minimum aantrede over de gehele trapbreedte bedraagt minstens 0,20m;

 

f.        De treden moeten slipvrij zijn.

 

 

Artikel 13.
evacuatiewegen en vluchtterrassen

 

Artikel 13.1.
De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben minstens de weerstand tegen brand van de structurele elementen. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze beglaasde delen minimum 1m verwijderd zijn van beglaasde delen van andere buitenwanden.

 

Artikel 13.2.

De deuren in de evacuatiewegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren. De af te leggen afstand tot op elk punt van de inrichting of compartiment tot aan de dichtstbijzijnde uitgang bedraagt maximum 30m. Indien de uitgang uitgeeft op een evacuatieweg bedraagt de maximale af te leggen weg tot 45m tot in de open lucht of tot het dichtstbijzijnde trappenhuis.
De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 5m bedragen.

 

In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kunnen door de brandweer deze maximaal af te leggen afstanden gereduceerd worden.

De uitgangen zijn zoveel als mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment. Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen weerstand tegen brand van 1/2h hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3m van deze evacuatieweg.

 

Artikel 13.3.

De borstweringen aan de overlopen van de trappen en de bordessen moeten minstens 100cm hoog zijn. Bij nieuwbouw of vernieuwing moeten de borstweringen 120cm hoog zijn. Het geheel van de borstwering en de trapleuning moet zo ontworpen worden dat er nergens een opening is waar een bol met een middellijn van 100mm door kan.

 

Artikel 13.4.

Draaizin van uitgangsdeuren

De deuren die gelegen zijn in de evacuatiewegen kunnen makkelijk geopend worden en draaien in de richting van de uitgang ofwel in beide richtingen.

 

a.       Voor inrichtingen waarvan de capaciteit  maximum 49 personen bedraagt, mag de deur naar binnen draaien;

 

b.      Voor inrichtingen met een capaciteit van meer dan 49 en minder dan 100 personen, moet ten minste één uitgangsdeur in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang open draaien;

 

c.       Voor inrichtingen met een capaciteit vanaf 100 personen moeten alle uitgangsdeuren in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.

 

De buitendeuren welke rechtstreeks op de openbare weg uitgeven, mogen niet buiten de rooilijn komen. Indien deze deuren noodzakelijkerwijze naar binnen draaien, dienen zij te kunnen openslaan tegen een vast gedeelte van het gebouw en er stevig aan bevestigd worden.
Gedurende de openingsuren zijn deze deuren in de geopende stand vastgezet.

Draaideuren (molen) en draaipaaltjes zijn in de evacuatiewegen en uitgangen verboden.

Het gebruik van sleutelkastjes is verboden.

 

Artikel 13.5.
Het publiek moet alle uitgangen kunnen gebruiken.

 

Artikel 13.6.
Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren, te plaatsen in de uitgangen en wegen die ernaartoe leiden of de nuttige breedte ervan verminderen.
Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op zichthoogte een opvallend merkteken dragen.

 

Artikel 13.7.
De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de inrichting goed zichtbaar zijn. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

Artikel 13.8.
Deuren die niet op een uitgang uitgeven, moeten voorzien worden van een goed leesbaar opschrift “geen uitgang” of een gelijkwaardig pictogram.

 

Hoofdstuk 6

 

Voorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten

 

 

Artikel 14.
Technische lokalen en ruimten

 

Artikel 14.1.
Algemeen
Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt minstens één compartiment.

 

Artikel 14.2.
Stookplaatsen
De wanden van de stookplaats en de brandstofopslagplaats gelegen in de inrichting of welke deel uitmaken van de inrichting, moeten een weerstand tegen brand bezitten van Rf 1h.

De binnentoegangsdeuren van de stookplaats en de brandstofopslagplaats moeten een weerstand tegen brand hebben van de Rf 1/2h en zijn zelfsluitend.

De stookketel van de centrale verwarmingsinstallatie en de niet ingegraven brandstofopslagplaatsen zijn elk in afzonderlijke, uitsluitend daartoe bestemde, goed verluchte lokalen geïnstalleerd.
De brandstofopslagplaatsen voor vloeibare brandstoffen moeten voorzien zijn van een oliedichte inkuiping.
Verwarmingsinstallaties gevoed met gas dienen niet in een stookplaats ondergebracht, voor zover de verwarmingsinstallaties een vermogen hebben van minder dan 70kW.

 

Artikel 14.3.
Verwarmingsinstallaties
De verwarmingsinstallaties beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen.
Ze worden geplaatst volgens de code van goed vakmanschap en zijn steeds in goede staat van werking en onderhoud, zodat ze een voldoende veiligheid verzekeren.
Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten en installaties met brandbaar gas in verplaatsbare recipiënten zijn verboden, voor zover geplaatst in het gebouw.
De verwarmingstoestellen, behalve de elektrische toestellen en de luchtdichte gastoestellen met gevelafvoer, zijn verbonden met een schoorsteen die rook afvoert.

Buitenverwarmingstoestellen (oa voor terrassen) moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld staan of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar of aanraking voorkomen wordt.
Deze toestellen moeten vast opgesteld zijn en mogen de ontruiming niet belemmeren.

 

Artikelen 14.4.
Gastoevoer
Wanneer het gebouw waarin de inrichting gelegen is, een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop tenminste één handbediende en gemakkelijk bereikbare afsluitkraan aangebracht zijn. Deze wordt voorzien in het gebouw bij het begin van de leiding en is behoorlijk aangeduid.
De gasmeter wordt in een goed verlucht lokaal geplaatst.
De gasleidingen zijn geel geschilderd.
Butaan- en propaangas in flessen, evenals de lege flessen, moeten in open lucht worden ondergebracht.
De voedingsleidingen naar de verbruikstoestellen zijn vast met eventuele uitzondering van het laatste deel van de leiding.

 

Artikel 14.5.
Warme luchtverwarming

 

Artikel 14.5.1.
Bij warme luchtverwarming moeten de luchtkanalen uit niet-brandbaar materiaal vervaardigd zijn en moet de handbediening van de generator buiten de stookplaats aangebracht worden. Deze handleiding moeten een centrale plaats gesitueerd zijn.

 

Artikel 14.5.2.

Bij herinrichting van de stookplaatsen met warme luchtgeneratoren of ten laatste binnen een termijn van 10 jaar na datum van goedkeuring, moeten brandwerende kleppen met een weerstand tegen brand van 1h geplaatst worden in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats.

 

Artikel 15.
Keukens
De keukens worden van de andere gebouwdelen gescheiden door wanden Rf 1h. Elke doorgang of doorgeefluik wordt afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur of luik Rf 1/2h.
Deze deuren draaien open in de vluchtrichting.

De keuken dient niet gecompartimenteerd ten opzichte van het voor het publiek toegankelijke gedeelte indien de (vaste) frituurtoestellen (met een gezamenlijke olie-inhoud van meer dan 8L) voorzien worden van een vaste automatische blusinstallatie die tevens de energietoevoer automatisch onderbreekt.

Kooktoestellen en maaltijdverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.
De bepalingen van §1 en §2 zijn niet van toepassing op inrichtingen die in hoofdzaak als afhaalinrichting bestemd zijn.

 

Hoofdstuk 7.

 

Uitrusting van de gebouwen

 

 

Artikel 16.1.

 

Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie

 

Artikel 16.1.

Zij voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het AREI (Algemeen reglement op de elektrische installaties).

Artikel 16.2.
Veiligheidsverlichting

De evacuatiewegen, de lokalen toegankelijk voor het publiek, de keuken en de voornaamste stroomborden moeten voorzien worden van een degelijke veiligheidsverlichting die een voldoende lichtsterkte heeft om een gebouw veilig te ontruimen;

De veiligheidsverlichting moet automatisch en onmiddellijk in werking treden bij het uitvallen van de gewone verlichting; zij moet minsten 1h zonder onderbreking kunnen functioneren.
De veiligheidsverlichting moet minstens een lichtsterkte hebben van 1 lux ter hoogte van de grond in de as van de vluchtweg en 5 lux op gevaarlijke plaatsen.

Artikel 17.
Installaties voor brandbaar gas
Deze installaties voldoen aan de reglementaire voorschriften en regels van goed vakmanschap.

Artikel 18.
Installaties voor melding, waarschuwing en alarmering

 

Artikel 18.1.
De inrichtingen in uitbating moeten worden uitgerust zijn met een gemakkelijk te bereiken telefoontoestel. Naast het toestel moeten de oproepnummers van de hulpdiensten aangebracht worden.

 

Artikel 18.2.
Afhankelijk van de grootte, de bezetting en de configuratie van de inrichting (verdieping, meerdere lokalen, …) kan door de bevoegde brandweerdienst een alarminstallatie en/of een algemene automatische branddetectie-installatie opgelegd worden.

 

Artikel 19.
Brandbestrijdingsmiddelen

 

Artikel 19.1.
De brandweer bepaalt de blusmiddelen in functie van de aard en de omgang van het gevaar.

 

Artikel 19.2.
Het personeel moet duidelijke instructies ontvangen hebben over de taakverdeling bij brand en over gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen.

Artikel 19.3.
Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gesteld worden.

 

Artikel 19.4.
De vuilnisbakken moeten van zelfdovend type zijn.

 

Artikel 20.
Andere technische installaties (verluchting, rwa-installaties, …)

In functie van de risico’s kan de bevoegde brandweerdienst bijkomende eisen opleggen voor andere technische installaties.

 

Hoofdstuk 8.

 

Onderhoud en periodieke controle

 

 

Artikel 21.

Algemeen

De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De uitbater laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek de nodige keuringen, onderzoeken en controles uitvoeren. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles uitvoeren. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, worden in een dossier ingeschreven en bijgehouden. Dit dossier wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of van zijn afgevaardigde (zie artikel 33).

 

Artikel 22.

Liften en goederenliften

Personenliften moeten driemaandelijks gecontroleerd worden door een erkend organisme. Goederenliften moeten jaarlijks gecontroleerd worden door een erkend organisme.

 

Artikel 23.

Elektrische installatie, veiligheidsverlichting, branddetectie-installatie en alarm

De elektrische installatie wordt om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend organisme.

De veiligheidsverlichting, de algemene automatische brandmeldingsinstallaties en het alarm worden jaarlijks gecontroleerd door een erkend organisme.

 

Artikel 24.

Installaties voor verwarming en klimaatregeling

Onverminderd de bepalingen van het KB van 060178 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, worden jaarlijks de installaties voor CV en CK nagezien door een bevoegde technicus.
De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden en jaarlijks gecontroleerd door een bevoegd persoon.

 

Artikel 25.

Installaties gevoed met brandbaar gas

De gasinstallatie wordt voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de 5 jaar gecontroleerd door een erkend organisme.
Jaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een bevoegd installateur.


Artikel 26.

Brandbestrijdingsmiddelen
De uitbater draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingsmiddelen jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

 

Artikel 27.
Filters en kokers van dampkappen

De uitbater draagt er zorg voor dat de filters en kokers van dampkappen regelmatig nagezien en onderhouden worden.

 

Artikel 28.
Deuren en verluchtingsopeningen

De uitbater draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen voorzien in onderhavige verordening jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

 

Hoofdstuk 9.

Bekledingsmaterialen

 

Artikel 29.

Gemakkelijk brandbare materialen, zoals karton, doeken, rietmatten en kunststoffen mogen niet als wand- of plafondbekleding of als versiering aangebracht worden.

Bij herinrichting moeten bekledingsmaterialen van vloeren, wanden en plafonds, respectievelijk van klasse A3, A2 en A1 zijn, overeenkomstig bijlage 5 van het KB 070794 omtrent de basisnormen voor preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.
De bekledingsmaterialen van zitbanken en overgordijnen moeten van klasse A2 zijn.
Volle hardhouten parketvloeren die op een betonnen ondervloer aangebracht zijn, worden als A3 gerangschikt. Dit zijn oa eik, beuk, es, tropische houtsoorten, …

 

Hoofdstuk 10.

Uitbatingsvoorschriften

 

 

Artikel 30.

 

Algemeen

Buiten hetgeen algemeen voorzien is door de onderhavige verordening, neemt de uitbater alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffing. De uitbater zal het publiek niet toelaten tot de inrichting dan na zich dagelijks ervan te hebben vergewist dat aan de voorschriften van deze verordening voldaan is.

 

Artikel 31.
Relatie uitbater-organisator

De uitbater ziet er op toe dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd door alle organisatoren die in zijn lokaal/uitbating een feestactiviteit laten plaatsvinden.

 

Artikel 32.

Voorlichting van het personeel en de gasten inzake brandpreventie

De verantwoordelijke en het personeel van de inrichting moeten op de hoogte zijn van de gevaren die zich bij brand in de inrichting kunnen beschikken in verband met:

 

a.       De detectie en het alarm;

 

b.      De te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;

 

c.       Het bestaan en de werking van de brandbestrijdingsmiddelen.

 

 

Artikel 33.

Plannen (facultatief)

Aan de ingang moet een plan van de inrichting aanwezig zijn, bedoeld om de hulpdiensten in te lichten, dat de plaats aanduidt van:

 

a.       De trappen en de evacuatiewegen;

 

b.      De beschikbare bestrijdingsmiddelen;

 

c.       In voorkomend geval, het stopmechanisme van het ventilatiesysteem;

 

d.      In voorkomend geval, het overzichtsbord van het detectie- en alarmsysteem;

 

e.       De stookplaatsen.

 

 

Artikel 34.

Veiligheidsregister

In elke inrichting dient een veiligheidsregister ter inzage liggen voor de bevoegde personen.

Dit register bevat informatie over de veiligheidsvoorschriften en vergunningen:

 

a.       Exploitatievergunning;

 

b.      Verslagen van de periodieke controles (artikel 21);

 

c.       Verzekeringspolis en attest burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering tegen brand en ontploffing (KB 280290).

 

 

Artikel 35.

De exploitant zal ten aller tijde tot de inrichting toelating verlenen aan de burgemeester en de bevoegde ambtenaren.

Op hun vraag is de eigenaar en/of exploitant verplicht een door hem ondertekende beschrijving van de samenstelling van de materialen en bouwelementen te geven en het bewijs te leveren dat aan de voorschriften voldaan is.

 

Hoofdstuk 11

Overgangsbepalingen

 

 

Artikel 36.

Teneinde de bestaande inrichtingen in de mogelijkheid te stellen te voldoen aan de voorwaarden die in deze verordening werden opgelegd, wordt in de volgende overgangsperiode voorzien:

 

a.       6 maanden voor de volgende artikels 4, 13.2, 13.3, 13.5, 13.6, 13.7, 14, 16, 17, 18, 19, 21 tem 34;

 

b.      24 maanden voor de resterende artikels.

 

 

Hoofdstuk 12

Sancties

 

Artikel 37.

Sancties voor de inwerkingtreding van de uitvoeringsbesluiten van de uitvoeringsbesluiten en de aanstelling van de bevoegde ambtenaar zoals voorzien in artikel 119bis NGW
Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op:

 

a.       Artikels 4.2 en 4.3 (maximum aantal personen);

 

b.      Artikel 5 (procedure)

 

c.       Artikels 6.1 en 6.2 (bereikbaarheid);

 

d.      Artikels 7 en 11 (compartimentering);

 

e.       Artikel 8 (evacuatie);

 

f.        Artikels 9 en 10 (bouwelementen);

 

g.       Artikels 12, 13.1, 13.2, 13.3, 13.4, 13.5 en 13.6 (trappenhuizen en evacuatiewegen);

 

h.       Artikels 14 en 15 (verwarming, keuken);

 

i.         Artikels 16, 17, 18, 19 en 20 (uitrusting);

 

j.        Artikel 29 (bekledingsmaterialen/versieringen),

 

Gesanctioneerd met de  administratieve sluiting van de lokalen, overeenkomstig artikel 119bis van de NGW.

De administratieve sluiting van de lokalen kan worden opgelegd tot de toestand geregulariseerd is. De administratieve sluiting kan pas worden opgelegd nadat de overtreder voorafgaand een waarschuwing heeft ontvangen.

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op:

 

a.       Artikel 4.4 (max aantal toegelaten personen);

 

b.      Artikels 13.7 en 13.8 (aanduiding uitgangen);

 

c.       Artikels 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27 en 28 (onderhoud, periodieke controle);

 

d.      Artikels 30, 31, 32, 33, 34 en 35 (uitbating), gesanctioneerd met politiestraffen

 

 

 

Artikel 38.

SANCTIES NA DE INWERKINGTREDING VAN DE UITVOERINGSBESLUITEN EN DE AANSTELLING VAN DE BEVOEGDE AMBTENAAR ZOALS VOORZIEN IN ARTIKEL 119BIS NGW

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op:

 

a.       Artikels 4.2 en 4.3 (max aantal toegelaten personen);

 

b.      Artikel 5 (procedure)

 

c.       Artikels 6.1 en 6.2 (bereikbaarheid);

 

d.      Artikels 7 en 11 (compartimentering);

 

e.       Artikel 8 (evacuatie);

 

f.        Artikels 9 en 10 (bouwelementen);

 

g.       Artikels 12, 13.1, 13.2, 13.3, 13.4, 13.5 en 13.6 (trappenhuizen en evacuatiewegen);

 

h.       Artikels 14 en 15 (verwarming, keuken);

 

i.         Artikels 16, 17, 18, 19 en 20 (uitrusting);

 

j.        Artikel 29 (bekledingsmaterialen/versieringen),

 

Gesanctioneerd met de  administratieve sluiting van de lokalen, overeenkomstig artikel 119bis van de NGW.

 

De administratieve sluiting van de lokalen kan worden opgelegd tot de toestand geregulariseerd is. De administratieve sluiting kan pas worden opgelegd nadat de overtreder voorafgaand een waarschuwing heeft ontvangen.

 

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op:

 

a.       Artikel 4.4 (max aantal toegelaten personen);

 

b.      Artikel 13.7 en 13.8 (aanduiding uitgangen);

 

c.       Artikels 22, 23, 24, 25, 26, 27 en 28 (onderhoud, periodieke controle);

 

d.      Artikels 30, 31, 32, 33, 34 en 35 (uitbating),

 

bestraft met een administratieve geldboete.

 

 

De omvang met een administratieve geldboete zal proportioneel zijn in functie van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en van eventuele herhaling, met een maximum van 250 EUR per vastgestelde inbreuk.

 

Hoofdstuk 13.

 

Slotbepalingen

 

 

Artikel 39.

Afwijkingen

Onverminderd de bepalingen van het ARAB of andere wettelijke bepalingen, kan de burgemeester, indien het onmogelijk is te voldoen aan één of meerdere vereisten van deze reglementering en na raadpleging van de betrokken diensten, afwijkingen toestaan.
Hij kan onder dezelfde voorwaarden bijkomende maatregelen voorschrijven of de sluiting bevelen.
De vraag tot het bekomen van een afwijking, in te dienen bij de burgemeester, dienst duidelijk gemotiveerd te zijn. Gedetailleerde plannen, een verklarende nota en de voorgestelde bijkomende veiligheidsmaatregelen, dienen bijgevoegd.

Alternatieve oplossingen moeten een veiligheidsniveau bieden dat tenminste gelijk is aan het niveau vereist in de voorschriften.

 

Artikel 40.

Onverminderd de artikelen 37 en 38 blijft de burgemeester zijn algemene bevoegdheid behouden overeenkomstig artikel 135 van de NGW.

 

Artikel 41.

Inwerkingtreding

Onderhavig besluit treedt in werking met ingang van de datum van de goedkeuring door de gemeenteraad.

 

Artikel 42.

Deze verordening wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 112 en artikel 113 van de NGW.

 

Artikel 43.

Afschriften van deze politieverordening worden bezorgd aan:

 

a.       De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg;

 

b.      De griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren;

 

c.       De griffie van de politierechtbank te Genk.

 

Gedaan te Lanaken, in zitting als hierboven vermeld

 

Namens de gemeenteraad

 

De secretaris wnd                                de voorzitter

 

Get) S Bervaes                                    get) A Vangronsveld

 

Voor eensluidend afschrift

 

Op bevel:

 

De secretaris                                       de burgemeester

 

Gelet op het Decreet van 18 april 1993, houdende regeling voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten;

 

Gelet op Hoofdstuk II, art. 4.3 van dit Decreet;

 

Gelet dat deze beslissing op 19 mei 2003 werd doorgestuurd naar het Provinciebestuur Limburg;

 

Ondergetekende bevestigt dat de termijn van 30 dagen verstreken is, zonder dat er vanwege het Provinciebestuur een beslissing van schorsing of vernietiging dienaangaande is ontvangen;

 

De algemeen directeur,