WOI Neerharen

VonnisDe dwaling voorbij – eerherstel voor Louis De Vos


In de periode van 4 augustus 1914 tot 30 september 1919 werden in totaal 87.805 zaken behandeld door het militair gerecht. Van al deze zaken werd ongeveer de helft effectief naar de militaire rechtbank verwezen, en liep ruim 41% (37.557) uit op een veroordeling. In totaal werd maar liefst 222 keer de doodstraf uitgesproken. Twintig keer werd die straf effectief uitgevoerd. Vier Belgische burgers, vier Duitsers en twaalf Belgische militairen werden geëxecuteerd. Eén van hen, Louis De Vos, woonde in Neerharen.
Louis De Vos, soms ook als Henri De Vos vermeld, werd op 6 september 1890 in Brussel geboren als zoon van Maria-Magdalena Noller, toen een kamermeisje afkomstig uit Oberrot in Baden-Württemberg. Zij huwde met Henri De Vos, opperwachtmeester van de gendarmerie. Een zus werd geboren in 1902. Het gezin De Vos-Noller woonde een tijdlang in Hoboken maar verhuisde naar Rekem in 1910. In 1913 vestigden zij zich permanent  in Neerharen.

Het verhaal van de twaalf Belgische militairen is een zwarte pagina in de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog, en kan enkel  begrepen worden wanneer men de smartelijke strijd van de Belgische troepen tegen de Duitse overmacht in oktober 1914 onder ogen neemt. De concrete omstandigheden waren de volgende: Louis De Vos moest samen met Alphonse Gielen (beide van het 6de Linie) verschijnen voor de Krijgsraad van de 2de Legerdivisie. Volgens het dossier maakten de twee deel uit van een groep van acht die, onder leiding van een sergeant, verbindingen tussen de kelders van leegstaande huizen in Nieuwpoort moesten kappen. Dit als defensieve maatregel om de troepen wanneer nodig veilig te laten terugtrekken. Soldaat Alphonse Gielen was afkomstig uit Kleine-Spouwen, vader van een jong gezin en hoefsmid. De Vos en Gielen hadden op  16 oktober 1914 de hele dag aan die klus gewerkt, terwijl de zes anderen beurtelings de wacht hielden. De volgende ochtend besloot het duo om in de stad eten te gaan zoeken. Ze trokken ter plaatse gevonden burgerkledij aan, lieten hun geweer achter en vertrokken zonder iets tegen de anderen te zeggen. Rond de avond keerden ze terug naar hun post. Daar aangekomen, liet de sergeant hen ondervragen door de gendarmen. Ze verklaarden dat ze niets anders hadden moeten doen dan gaten kappen en dat ze wel een dag rust verdiend hadden. Bovendien werd tijdens hun afwezigheid hun kapotjas gestolen. Krijgsauditeur Gielen (geen familie) kreeg de zaak in handen en besloot de mannen na beraad terug te sturen in afwachting van een tuchtsanctie. Om de zaak af te ronden verwees hij de sergeant voor ondervraging naar de regimentscommandant. De majoor van het 6de Linieregiment echter nam – terwijl vlakbij de verwoede strijd gaande was - de zaak bloedernstig en reageerde dat hij dergelijke beslissing uiterst gevaarlijk vond voor de discipline van zijn troepen. Vergeten we daarbij niet dat de Slag aan de IJzer een dag eerder op 18 oktober had aangevat. Mogelijkerwijs liet de auditeur zich onder druk zetten door de majoor, want nog dezelfde dag kwam hij terug op zijn beslissing om hen weer naar hun standplaats te laten gaan. Daags nadien (19 oktober) riep de auditeur de Krijgsraad bijeen. Zijn vordering: de doodstraf, officieel omdat de twee hun post hadden verlaten in het zicht van de vijand en dat ze na een onwettige afwezigheid hun kapotjas, stuk van hun grote uitrusting, niet hadden teruggebracht, zonder dat hier sprake kon zijn van overmacht. Desertie in de ergste graad volgens hem. Een Oostends advocaat werd inderhaast ingeschakeld voor de verdediging van de twee stakkers. De Krijgsraad volgde de commandant. Beroep was niet mogelijk en het krijgsrecht volgend mocht de executie nog de dag zelf plaatsvinden. Beiden dienden daarop onmiddellijk een gratieverzoek in, maar dat bereikte de koning nooit…

Gielen en De Vos werden gefusilleerd aan de herberg annex boerderij De Meiboom, gelegen aan de steenweg tussen Nieuwpoort-Bad en de stad. Een bittere afloop van een voorval dat normaliter met een tuchtsanctie had moeten eindigen. De disproportie in de sanctie – nog te zwijgen van de procedure die zeker naar justitiële normen ongefundeerd was en voor beroep in aanmerking moest komen – maakte duidelijk dat de twee hun leven lieten om als macaber voorbeeld van disciplinering voor de eigen troepen te dienen.

Beiden werden begraven vlakbij de plek van hun executie; hun lichamen werden tot op heden nog niet teruggevonden.